Verslag van Mathieu Theunissen:

...Vrijdagavond 30 april 1948.

Met man en macht is jong en oud bezig om de oude den uit de grond te halen. Morgen immers moet er een nieuwe voor in de plaats komen. Na een jaar van trouwe dienst wordt de oude den dan zonder ongelukken neergehaald en "als een ouden versleten man" wordt hij aan de kant "in der graaf' gerold. Een jaar lang heeft hij trouw de wacht gehouden over ons dorpje, fier zijn kruin omhoogstekend, waarin trots onze vaderlandse kleur wapperde. En daar was hij trots op, die goede oude den, want hij had een traditie voort te zetten, een traditie die spreekt van de vaderlandsliefde van ons dorpje. Zelfs ten tijde van de Duitse bezetting immers hebben zijn voorgangers altijd trouw en fier dat rood, wit en blauw in hun kruin laten wapperen.
Thans ligt hij daar neer, vermoeid en versleten, maar hij weet, dat een waardig opvolger zijn plaats zal innemen. En daarom vindt hij alles goed en hij gunt de jongens, die hem zo juist hebben onttroond, van harte het glaasje bier, dat ze nu bij Sjeuf Lennarts gaan gebruiken.
Het verdriet over de oude den wordt dan ook terdege "weggespoeld" en als het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen, keert iedereen met vrolijke gedachten over het feest van morgen naar huis toe.

...Zaterdagmorgen 1 Mei 1948.

Om 10.00 uur is de Mei-club reeds bezig om de zware wagen, waannee de nieuwe den zal vervoerd worden, uit het "oad hoes" vandaan te halen. Een jaar lang heeft hij rust gehad en daarom wordt hij nog eens terdege gesmeerd en nagekeken. Om 13.00 uur zal de stoet vertrekken. De kappers onder leiding van Sjir Heidendal, zijn inmiddels reeds naar de bossen van Altembroeck getogen om een nieuwe den uit te zoeken. Fors en zwaarklinken daar de slagen van hun bijlen door de stilte van het bos. Plotseling een fors gekraak, en met een geweldige smak stort de reus ter aarde, maar straks zal hij in Mheer weer fier zijn kruin omhoog gaan steken.
Als om 12.00 uur het "Engel des Heren" wordt geluid, zitten de jongens van de Mei-club met hun gezonde magen thuis aan tafel en ze "loate zich de noon good sjmake". De paarden, mooi versierd, staan reeds te trappelen van ongeduld. En het duurt dan ook niet lang, of daar komen er al een paar, fier stappend de berg af. Ook "va gen lng" en "oet gen Sjteeg", "oet gen Rondiele", "oet gen Duvelsjtraot" komen ze aandraven. Aan "Lemmerling" is de verzamelplaats, en Sjeng Senden is druk in de weer om alles naar best vermogen te regelen en eenieder zijn plaats aan te wijzen. Niemand is er echter zo gauw voor te vinden om zijn paard voor de wagen te spannen. Maar die zaak is ook af opgelost als Sjef Weusten en Sjaak Quanten de hengst van de "boomriejersj oet Hoembusj" er voor plaatsen. De paarden staan nu opgesteld. Even tellen. Maar elf. Niet veel. Maar hun versiering is dan ook prima. De stoet kan nu vertrekken, maar Sjeng Senden is nergens te zien. Nog een ogenblik wordt gewacht en... daar komt hij al aanstappen in gezelschap van de Heer Stoelinga. Die zal er over beslissen welke paarden het mooist versierd zijn om voor de prijzen in aanmerking te komen. Straks, bij de thuiskomst zal de uitslag worden bekend gemaakt. Daar zet de stoet zich in beweging. Maar al gauw moet gestopt worden, want aan Sjeuf Lennarts ligt een vaatje met "Nattigheid" en dat mag toch zeker niet achterblijven. Hup, daar ligt het vat al op de wagen en de reis wordt voortgezet naar Altembroeck. Hier ligt de nieuwe den al gekapt. Mathieu Spits, Sjir Heidendal en de andere kappers zitten er vrolijk bovenop en drinken een borreltje. Dat hebben ze wel verdiend, want menige zweetdruppel heeft het gekost om die "kaaiman" neer te vellen. Met vereende krachten wordt de boom nu opgenomen en naar de wagen gedragen. Het is een heel eind lopen door het bos. Maar als men eindelijk bezweet er mee aan de wagen komt, dan is het ergste leed geleden. Nog een keer flink aangepakt en... daar ligt de reus al op de wagen. Nu wordt het vaatje met "nattigheid" eens aangesproken, want de den moet vanzelfsprekend goed "nat" gehouden worden, anders verdort hij en gaat hij dood. En dat zou toch jammer zijn! Dit gebeuren wordt op de gevoelige plaat vastgelegd door de fotograaf.
De dorst is nu gelest en... de stoet zet zich in beweging naar 's-Gravenvoeren. Dat is een oud gebruik, en de den moet natuurlijk ook met wat "bökskes" ingewijd worden. De mensen in Voeren kijken met plezier naar dat vrolijke gedoe van de Mheerder jongens. Maar de den moet naar Mheer toe, en daarom wordt er nu opgestapt. Flink "dampend" aan een Belgische sigaret zonder bon wordt de terugreis aanvaard. Maar onderweg moet toch nog even halt worden gehouden bij Mathieu Spits. Want Mathieu Spits en de Mheerder Mei-den, die horen bij elkaar. Hij immers doet ons ieder jaar zo'n prachtige boom aan de hand. We zouden dan ook in onze plicht te kort schieten als we hem niet van harte zouden gaan bedanken voor de gulle medewerking, die we ieder jaar van hem mogen ondervinden. Het is Sjeng Senden, die hem in hartelijke woorden toespreekt en hem als blijk van waardering een fles "met lekkere inhoud" aanbiedt. Een driewerf "Lang zal hij leven" schalt dan tegen de bosrand op. Nu zet de stoet zich weer in beweging in de richting van Mheer. Kranig zingend gaat het de berg op. Maar ik moet eerlijk zeggen: er is niemand die te diep in het glaasje heeft gekeken. Er heerst een echt vrolijke stemming. De bocht aan Wenders wordt goed genomen en nu gaat het "gen Ing" af. Zwaar klinken de paardenhoeven over de weg en luid galmt het "Oranje Boven" en "Leve de Wilhelmien" het dorp in. Maar zingen maakt dorstig en daarom moet er in Onder-Mheer eens "gesmeerd" worden. Nu gaat de tocht naar Boven-Mheer beginnen. De kinderen zijn nu ook van de partij en vrolijk zingend zitten ze boven op de den. Daar stappen de eerste paarden al de berg op. Strak zijn hun spieren gespannen, want de last is zwaar, die er te trekken valt. Luid moedigen de jongens hun paarden aan. Rinkelend klinken de bellen aan de paardenhalzen. Even dreigt het, dat in de "knip" van de berg de zaak zal blijven vasthangen. Maar de kranige wagenrijders weten onheil te voorkomen. Daar trekt de stoet al Boven-Mheer binnen. Net als onder in het dorp en in de Hoesberg, staan ook hier de mensen langs de kant te kijken of de den ook wel de moeite waard is, en iedereen leeft mee met de vreugde van de jongens. Menig oudje denkt met weemoed terug aan de tijd, dat ook hij als fiere ruiter boven op zijn paard gezeten, die tocht meemaakte. Aan Sjeng Dobbelstein moet er gedraaid worden. Met veel "juhs" en "huus" gebeurt dit zonder ongelukken. En dan gaat het weer terug naar Onder-Mheer. In de berg heet het natuurlijk oppassen en de remmen moeten flink aangedraaid worden. Eindelijk zijn we op de plaats van bestemming. Met man en macht wordt aangepakt. Daar rolt de den al langs twee balken, die tegen de wagen zijn geplaatst, op de grond. De nationale driekleur wordt aan de top bevestigd en nu zal hij recht gehesen moeten worden. Het is geen gemakkelijk karweitje, want de den is 23 meter lang. Maar met vereende krachten bereikt men alles en weldra staat onze den dan fier met zijn kop omhoog en laat wapperen de heldere kleuren van ons "Rood, wit en blauw".
Even heerst er nog een ogenblik spanning als de prijzen voor de mooist versierde paarden worden bekend gemaakt. En drie jongens glunderen blij als ze de volgende uitslag horen:

1e prijs: Sjef Lardinois, de knecht van Louis Prompers.
Straks zal Sjef een fles kunnen opentrekken en met zijn vrienden ervan genieten.
2e prijs: René Hendrikx. Die zal straks zijn vader blij kunnen maken met 10 sigaren, en zijn moeder met een stuk peperkoek.
3e prijs: Jan Dobbelstein. Jan zal morgen gratis bier kunnen drinken, want l0 glazen "Edelbrau" zijn voor hem gereserveerd.

De gehele avond heerst er nog een gezellige drukte. En als ieder naar huis toe keert, is de Mei-den planting weer voor een jaar voorbij...